3/2014

M. JACOBS

Culturele makelaardij, omgaan met grenzen en het nieuwe paradigma van het borgen van immaterieel cultureel erfgoed. Volkskunde, UNESCO en transdisciplinaire perspectieven

In dit artikel wordt de vraag gesteld welke onderdelen uit het repertoire van de al dan niet “toegepaste” of “publieke vormen” van volkskunde uit de vorige eeuw actief kunnen aangewend worden in het nieuwe, 21ste-eeuwse paradigma van het “borgen van immaterieel erfgoed”. Hierbij wordt speciale aandacht gegeven aan ontwikkelingen in de Verenigde Staten op het einde van de 20ste eeuw, met name via een themanummer (en een vervolgartikel van Barbara Kirshenblatt-Gimblett) van het Journal of Folklore Research uit 1999 waarin het begrip “cultural brokerage”, culturele makelaardij dus, naar voor geschoven wordt als sleutel- begrip. Dat wordt als aanknopings- punt gebruikt om de stromingen van de zogenaamde “public folklore” in de Verenigde Staten te presen- teren. Dat is een moeilijk naar het Nederlands vertaalbaar begrip dat het midden houdt tussen volkskundig onderzoek, omgang met volkscultuur, publieksgeschiedenis en erfgoedwerk. In het  halve   decennium vóór 2003 speelden de Amerikaanse protagonisten (zoals Richard Kurin) die met culturele makelaardij aan de slag waren, een belangrijke rol in de discussies die geleid hebben tot de UNESCO-Conventie van 2003. Ook in Vlaanderen en Nederland werd er in die periode op doorgewerkt en gediscussieerd over volkscultuur en het borgen van immaterieel cultureel erfgoed. In de voorbije jaren, door het niet ratificeren van de Conventie en zeker na het inhouden van de bijdrage van de Verenigde Staten aan UNESCO na de erkenning van Palestina, werd de wisselwerking tussen de Amerikaanse public folklore en het paradigma van immaterieel cultureel erfgoed minder sterk, wat niet wegneemt dat de ervaringen nog steeds relevant zijn. De nieuwe transdisciplinaire benadering van de kritische erfgoedstudies kan goede diensten bewijzen om allerlei methodes   en disciplines te combineren en vooruitgang te boeken.

 

D. LEWIS

Naar een beter begrip van de rol van niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) als culturele makelaars. Een kritische bespreking van benaderingswijzen

De rol van niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) als culturele tus- senpersonen is van belang geworden in steeds meer gebieden. Sinds de jaren 1980, toen de NGO’s voor het eerst werden geconceptualiseerd als “bridging organisations”, was er aandacht voor het idee dat NGO’s in het proces van sociale en eco- nomische ontwikkeling een intermediaire rol kunnen spelen tussen gemeenschappen en beleidsmakers en andere actoren. Meer recent hebben theorieën uit de actorgeoriënteerde sociologie en concepten van makelaardij en vertaling gezorgd voor nieuwe ideeën over de rol die NGO’s kunnen spelen in het bemiddelen van kennis, representatie en actie op het gebied van cultuur. Dit paper onderzoekt in het kort deze trends en bespreekt de implicaties voor de erfgoedsector.

 

M. JACOBS

Ontwikkelingsmakelaardij, antropologie en publieke actie. Lokaal versterken, internationaal samenwerken en ontwikkelingshulp: het borgen van immaterieel cultureel erfgoed

Hier wordt betoogd dat makelaardij een ontbrekende schakel is om enerzijds het borgen van immaterieel cultureel erfgoed zoals dat door de UNESCO-Conventie van 2003 op de nationale en internationale beleids- agenda’s is gezet en anderzijds ont- wikkelingssamenwerking en samen- werkingsontwikkeling samen te behandelen en op een positieve manier op elkaar te laten inwerken. Woorden zoals “brokerage” (makelaardij) of “bemiddeling” die, bijvoorbeeld in de Vlaamse Gemeenschap, als kritische succesfactor geïdentificeerd en naar voren geschoven worden voor het in de praktijk laten werken van het paradigma van borging van immaterieel   erfgoed,   komen ook in de recente, vaak erg kritische literatuur over programma’s van ontwikkelingshulp voor en vooral ook over de rol die niet-gouvernementele organisaties daarbij spelen. Hierbij kan zowel gewezen worden op een Frans- Duitse APAD-school, die onderzoek verricht over postkoloniaal Afrika en nagaat hoe lokale en internationale ontwikkelingsmakelaars (“courtiers en développement”) ervoor trachten te zorgen dat hulpmiddelen vanuit rijke donors in de richting van Afrikaanse actoren vloeien, vaak door het op een bepaalde manier vertellen en vertalen van bepaalde ontwikkelingsverhalen en het activeren van netwerken. Anderzijds is er de school die in de Britse (en Nederlandse) antropologie en andere sociale wetenschappen is gegroeid rond het oeuvre van David Mosse en David Lewis. Zij onderzochten en becommentarieerden zeer kritisch ontwikkelingsplannen en -hulp en vooral ook de rol die niet-gouvernementele organisaties voor ont- wikkelingssamenwerking speelden. Tevens benadrukten ze de combinatie tussen bemiddeling en vormen van vertaling (zoals dat begrip in de translatiesociologie wordt gebruikt). Dit is bruikbaar bij het analyseren van recente ontwikkelingen van “global-politique”, een begrip dat door Marc Abélès werd gelanceerd en dat zowel wijst op “beleid” als internationale politieke en diplomatieke onderhandelingen. Om te begrijpen wat er tegenwoordig in die internationale contactzones gebeurt, zowel in de UNESCO-wereld (in het bijzonder bij het uitwerken van de UNESCO-Conventie van 2003 over het borgen van immaterieel cultureel erfgoed) als in de wereld van de ontwikkelingshulp, komt het begrip makelaardij van pas. Als men terugkijkt in de tijd, zowel in postkoloniale,   koloniale   als zelfs in pre-koloniale tijden, blijkt het begrip “broker” of intermediair goede diensten te bewijzen om te duiden hoe intercultureel contact verliep en hoe een tijdelijk werkbare consensus of modus vivendi werd gevonden. Dit past in het programma dat de auteur voorstelt om de recente episode van het “global-politique” of het borgingsparadigma rond de UNESCO-Conventie van 2003 in een langetermijnperspectief te plaatsen, zowel in de cultuur(beleids)ge- schiedenis, de geschiedenis van staatsvormingsprocessen als in de wereldgeschiedenis van “ontwikkeling”. Een andere belangrijke les is dat kritische duiding en analyse niet hoeft te verhinderen dat publieke actie kan worden gevoerd om te trachten bepaalde uitdagingen in de wereld aan te pakken. Hierbij wordt de hoop uitgesproken dat het doordenken van makelaardij (bijvoorbeeld in de kritische erfgoedstudies) en het vormen van bemiddelaars en ontwikkelingsmakelaars, ook bijvoorbeeld in opleidingscentra in Afrika, een verschil kunnen maken.

 

J. NEYRINCK

Het Conventionele te buiten. Naar een werkmodel van coproductie voor het borgen van immaterieel cultureel erfgoed

Er is een uitgesproken democratische inzet van de UNESCO-Conventie (2003) om (de diversiteit aan) immaterieel cultureel erfgoed van individuen, groepen en erfgoedge- meenschappen over de hele wereld te willen helpen borgen. Nochtans blijven er heel wat vragen en uitdagingen wanneer we de implementatie   van   dit   beleidsinstrument in de praktijk overschouwen. Een globale evaluatie uit 2013 van de Conventie 10 jaar na de lancering geeft onder meer aan hoe de lidstaten veel meer zouden kunnen doen om erfgoedgemeenschappen en NGO’s te consulteren en te betrekken, bv. bij het ontwikkelen van beleid, wetgeving, plannen voor duurzame ontwikkeling, enzovoort. Men zou zelfs kunnen stellen dat de geloofwaardigheid van de Conventie op het spel staat, daar het hier bij uitstek om levend erfgoed gaat en het Conventiewerk geen enkele betekenis heeft als het niet door de betrokken mensen in praktijk wordt gebracht. Gegeven de meervoudige en complexe realiteiten waarbinnen de borgingspraktijken voor immaterieel erfgoed zich in de 21ste eeuw afspelen, zou ook de Conventie moeten zien te evolueren tot een multidimensionaal, lerend en toekomstgericht beheerssysteem dat die complexe contexten kan beantwoorden. Tegen deze achtergrond houdt de auteur een warm pleidooi om in het komende decennium het   “conventionele” van een internationaal en intergouvernementeel instrument te overstijgen en de Conventie van 2003 ten volle als “medium” of “bruggenbouwer” in te zetten waarbij vele stakeholders en actoren de borging van immaterieel erfgoed samen met UNESCO en de lidstaten beheren, co-managen en co- produceren.

Te midden van de vele diverse (types van) actoren die bij deze processen betrokken zijn kunnen bruggen- bouwers zoals NGO’s volop bijdragen met de nodige competenties en fora voor interactie, om de vertaalslag te helpen maken tussen de verschillende soorten kennis en knowhow die erbij komen kijken en de samenwerking van al deze spelers te faciliteren. Willen de lidstaten met de Conventie   echt   veerkrachtige toekomstperspectieven ontwikkelen voor levend immaterieel erfgoed, dan zullen ze evenwel consequent ook het beheer van de Conventie moeten zien te delen. Een belangrijke maar erg gevoelige kaap die daarbij genomen moet worden, is het symbolisch kapitaal dat van UNESCO uitgaat in die mate open te stellen dat alle vitale partners die de Conventie doen werken op alle niveaus volwaardig deelhebbers worden van de UNESCO-Conventie, om hun inzet te bekrachtigen en te vermenigvuldigen.

 

A. BHATTACHARYA

Het integreren van cultuur in actieplannen voor duurzame ontwikkeling. De rol van immaterieel cultureel- erfgoedorganisaties

De UNESCO-Conventie van 2003 en haar operationele richtlijnen omschrijven een belangrijke rol voor niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) inzake de bewustmaking omtrent de Conventie, het bevorderen van dialoog, het uitwisselen van praktijkervaring, het ontwikkelen van borgingsprogramma’s en beleid op diverse niveaus,… NGO’s hebben ook een grote rol te spelen om de participatie van erfgoedgemeen- schappen te faciliteren bij het uit- zetten van borgingsmaatregelen. Zij ondersteunen de erfgoedgemeenschappen daarin met hun expertise, tools en capaciteitsopbouw. Reeds in het recente verleden bleken NGO’s rond immaterieel erfgoed (zogenaamde ICH-NGO’s) op allerlei manieren bij te dragen aan de implementatie van de Conventie: ze doen aan capaciteitsopbouw bij erfgoedgemeenschappen, ze werken aan onderzoek en documentatie, ze ontwikkelen identiteitsversterkende activiteiten in cultuurtoerisme, ze faciliteren transnationale creatieve samenwerking, ontwikkelen artistieke organisaties, noem maar op… In deze bijdrage laat Ananya Bhattacharya ons kennismaken met een case van immaterieel-erfgoedwerking onder begeleiding van de NGO “banglanatak dot com” vanuit India waarbij culturele vaardigheden (“skills”) geprofessionaliseerd werden tot een broodwinning voor gemarginaliseerde families en zo een voorbeeld kunnen vormen van sociaal- economisch “empowerment” op basis van cultureel erfgoed. Ze bepleit dat ICH-NGO’s in de nabije toekomst een kritische rol zouden opnemen opdat culturele dimensies aan bod komen in de “Post 2015 Ontwikkelingsagenda”. Cultuur is immers niet geïdentificeerd als doelstelling in de voorgestelde “duurzame ontwikkelingsdoelen” (SDG). Hoewel cultuur expliciet als doel of activator geïntegreerd kan worden in de uiteenlopende duurzame ontwikkelingsdoelen   rond bv. de beëindiging van extreme armoede, het verzekeren van stabiele en vreedzame samenlevingen, het bevorderen van de positie van meisjes en vrouwen en behalen van gendergelijkheid, het faciliteren van kwalitatieve educatie en levenslang leren, het creëren van een wereld- wijde mogelijkheden-scheppende omgeving, enzovoort. Door het delen van kennis, netwerken en bemiddeling kunnen NGO’s effectief het bewustzijn wekken en verhogen bij “decision makers” omtrent het belang van de culturele dimensie van ontwikkelingsbeleid. Via het formuleren van innovatieve culturele ontwikkelingsprojecten met de participatie van traditiedragers en -beoefenaars kunnen ze bijdragen aan lokaal verankerd beleid voor creatieve economieën. De grootste uitdagingen liggen in de mapping van culturele bronnen, het ontwikkelen van indicatoren voor sociaal-economische waarde en winst vanuit erfgoed, creativiteit en culturele bronnen, alsook in het ondersteunen van capaciteitsopbouw voor management in de culturele sector en het versterken van de waardeketen.

 

A. VANDER ZEIJDEN

Bezig zijn met Zwarte Piet. Media, middelaars en de dilemma’s van het makelen van immaterieel erfgoed

Binnen de UNESCO-Conventie ter bescherming van het Immaterieel Erfgoed wordt de laatste jaren veel gesproken over de rol van Niet Gouvernementele Organisaties en hun rol bij het borgen van immaterieel erfgoed. Meestal wordt hun taak vooral gezien als bijdragen aan het implementeren van beschermingsmaatregelen en aan het versterken van de gemeenschappen. Maar volgens een recent IOS rapport zouden deze NGO’s ook een bemiddelende rol kunnen spelen bij het samenbrengen van de verschillende acteurs en belanghebbenden die betrokken zijn bij de dagelijkse praktijk van immaterieel erfgoed. Deze rol van NGO’s lijkt vooral nodig in het geval van “controversieel erfgoed”, dat wil zeggen immaterieel erfgoed waarover verschillend ge- dacht wordt. In dit essay wordt het verhitte debat over Zwarte Piet als uitgangspunt genomen, waarin sommigen ijverden voor afschaffing van deze als discriminatoir er- varen zwart geschminkte helper van Sinterklaas en anderen deze mythologische figuur juist zien als een onvervreemdbaar onderdeel van het Nederlandse Sinterklaasfeest, ja zelfs van het Nederlandse culturele erfgoed.

In zijn artikel analyseert de auteur, in navolging van Richard Kurin, dat de rol van expertinstellingen is gewijzigd door een veranderende rol van de media en door de opkomst van nieuwe, computer gestuurde sociale media, die allerlei groepen in de samenleving in staat stellen deel te nemen aan het maatschappelijk debat en daarmee ook aan het besluitvormingsproces. Aan de ene kant leidt dit tot een enigszins hijgerige sfeer, waarbij de waan van de dag soms de boventoon voert en de journalisten op zoek zijn naar sprekende en resonerende “sound bites”, waardoor de uitersten vaak het   debat domineren. Aan de andere kant leidt het tot een diversificatie van meningsvorming, interessant in verband met het grote belang dat in de UNESCO-Conventie wordt gehecht aan de inbreng van de gemeenschappen. Voor de cultural broker betekent dit dat hij zijn weg moet zien te vinden in een veelvoud aan elkaar betwistende meningen en opinies. Omdat, zeker in het geval van Zwarte Piet, immaterieel erfgoed onontwarbaar verbonden is met politiek en met strijd, dient hij ook reflectief te zijn op zijn eigen rol en inbreng in dit proces van “negotiating identities”. Uiteindelijk dienen echter bruggen te worden gebouwd, waarbij de cultural broker dient te beseffen dat het presenteren van een mogelijk compromis hem kan vervreemden van de betrokkenen die hij juist dichter bij elkaar had willen brengen. Hier past de kanttekening dat het zoeken naar consensus niet hetzelfde is als het voorstellen van een compromis.

 

D. JARVIS

Tradities in een nieuw en uitgebreider kader plaatsen. Immaterieel cultureel erfgoed en “public folklore” in Newfoundland en Labrador

Dit artikel schetst het verband tussen immaterieel cultureel-erfgoedbeleid en public folklore programma’s in de Canadese provincie Newfoundland en Labrador. Het geeft achtergrondinformatie over de ontwikkeling van het immaterieel erfgoedbeleid en beschrijft de vierdelige strategie van de Heritage Foundation van Newfoundland en Labrador om projecten te ontwikkelen die zich richten op de documentatie, de transmissie, de culturele industrie en de praktijk van immaterieel erfgoed. Dit artikel presenteert vervolgens drie case studies om te laten zien hoe culturele makelaars en bemiddelaars deze strategie ten uitvoer brengen. De eerste case studie omvat gemeenschapstraining: initiatieven, waar begeleiders vaardigheden doorgeven die samenhangen met documentatie en het ontwikkelen van workshops. De tweede case study beschrijft lopende projecten die verbindingen willen leggen tussen immaterieel erfgoed en monumentenzorg, met een focus op publieksbetrokkenheid. De derde case study gaat in op de relatie tussen volkscultuur/volksleven en het Folklife Festival, waarin het festival gebruikt wordt om saamhorigheidsbesef te bevorderen.

 

V. FILKÒ

Het gebruik van netwerken in de ontwikkeling van de Nationale Inventaris van immaterieel cultureel erfgoed in Hongarije

Dit artikel geeft een overzicht van de belangrijkste stappen die zijn gedaan na de toetreding van Hongarije tot de Conventie van 2003 en hebben geleid tot het opzetten en ontwikkelen van verschillende netwerken ten dienste van de uitvoering van het verdrag. Het vormen van netwerken tussen deskundigen en gemeenschappen werd gebruikt om efficiënter te werken in het proces van identificatie en documentatie van de erfgoed- elementen, alsook om aan te dragen aan de promotie en de transmissie, en de toegang tot immaterieel erfgoed te vergemakkelijken.

 

L. CASTELEYN, E. JANSSENS en J. NEYRINCK

Zes jaar ervaring in immaterieel erfgoedbemiddeling in Vlaanderen (België). Van erfgoedcellen en een immaterieel erfgoednetwerk naar www.immaterieelerfgoed.be

Dit artikel brengt in beeld hoe erfgoedbemiddeling en -makelaardij een cruciale rol spelen in de ontwikkeling van een wijd vertakt netwerk rond immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen. Spelers zoals geografisch georganiseerde cultureel- erfgoedcellen en thematische expertisecentra voor cultureel erfgoed worden geïntroduceerd en toegelicht. Dit netwerk van erfgoedmakelaars verbindt de ervaringen rond het borgen van immaterieel erfgoed gaande van lokale elementen en gemeenschappen tot landsbrede thema’s en uitdagingen. Ervaringen vanuit de   opgebouwde 6 jaren werkingspraktijk rond immaterieel cultureel erfgoed worden gedeeld. Ten slotte wordt de digitale makelaar www.immaterieelerfgoed.be voorge- steld en krijgen we inzicht in de wijze waarop dit platform de werking en de borging in netwerkverband faciliteert en versterkt.

 

E. DRANI

De rol van niet-gouvernementele organisaties in het levensvatbaar houden en promoten van immaterieel cultureel erfgoed in Oeganda. De Cross-Cultural Foundation van Oeganda

Oeganda is een van de meest cultureel diverse landen ter wereld, maar tegelijk blijkt er weinig waardering noch inzet om het potentieel van die diversiteit aan cultureel erfgoed te erkennen en te valoriseren. De verklaring daarvoor is   te vinden in een samenloop van politieke, (religieus-)culturele en educatieve ontwikkelingen die het land in de recente geschiedenis heeft gekend. Ook in het postkoloniale beleid vormt cultuur geen prioritair aandachtspunt; de armoede is groot en er zijn tot op vandaag erg weinig ontwikkelingen waarin cultuur en erfgoed als bronnen of wegen voor duurzame ontwikkeling geïdentificeerd worden. Sinds Oeganda de UNESCO- Conventie van 2003 in 2009 ratificeerde, liggen er echter kansen om hier verandering in te brengen. De opname van immaterieel erfgoed uit Oeganda op de UNESCO-lijsten werkt als eye-opener en een groeiend aantal NGO’s en Community Museums gaan actief aan de slag rond het borgen van immaterieel erfgoed.

Eén van die NGO’s is de “Cross-Cultural Foundation of Uganda” die in haar werking sterk inzet op erfgoededucatie vanuit de overtuiging dat bewustzijnsverhoging en de overdracht van erfgoedkennis en -praktijken naar de jonge generaties cruciaal zullen zijn voor een duurzame borging. Het is tegelijk ook een noodzakelijke inzet om het respect en de appreciatie voor de culturele diversiteit in het land ten volle te bevorderen.

De internationale netwerken rond de UNESCO-Conventie (2003) bieden voorts allerlei mogelijkheden en vooruitzichten op uitwisseling van ervaringen, op competentieverhoging en samenwerking omtrent borging van immaterieel erfgoed en duurzame ontwikkeling. Een inzet voor meer coördinatie en bundeling van krachten zou de impact van de culturele activiteiten op nationaal, regionaal en internationaal niveau verder kunnen versterken.

 

V. LAPICCIRELLA ZINGARI

Projecten van erfgoedgemeenschappen als nieuwe uitdagingen voor antropologen. Italiaanse perspectieven op het borgen van immaterieel cultureel erfgoed, bemiddeling en culturele makelaardij

Om de huidige discussies in Italië te begrijpen rond het borgen van immaterieel cultureel erfgoed, het implementeren van de UNESCO-Conventie van 2003 en vooral de spanningen rond de procedures voor het maken van een nationale inventaris in functie van een kandidatuur voor de opname op de Representatieve Lijst (artikel 16 van de Conventie), is het nuttig de voorgeschiedenis mee in beeld te nemen. Zoals blijkt uit publicaties van Pietro Clemente was er geen goede “match” tussen het officiële erfgoedbeleid, fenomenen die we vandaag immaterieel cultureel erfgoed noemen en die door demo-etno-anthropologen  bestudeerd worden. Demo verwijst naar volk of populatie (zoals in demografie) en de combinatie met etnologie en antropologie leverde dat neologisme op. De beweging van onderop via kleine musea en de rol van antropologen die actief zijn in het veld openen nieuwe perspectieven. De combinatie met andere referentiekaders, naast de erfenis uit de vorige eeuw alsook de net genoemde Conventie van UNESCO of de kaderconventie van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de mensheid, zijn veelbelovend, net als de eerste experimenten in Venetië en Cocullo.

 

Category: 2014, Summaries